Translation EN -
Übersetzung DU
'Opnieuw beginnen'
Op 5 januari 2008 brandde het atelier van Bert Loerakker af. Een vier
meter hoge, lichtovergoten ruimte van meer dan 200 m2, in een oude cacaofabriek
in Helmond. Hier werkte Loerakker – als hij niet op reis was –
dag in dag uit aan zijn schilderijen. Het was de plek waar hij alles onder
handbereik had. Zijn schildersezel stond er, temidden van tafels met
potten, blikken, tubes en kwasten, keurig in het gelid. Daaromheen
hingen en lagen schilderijen, de tweeluiken die zo typisch zijn voor zijn
oeuvre: het linker dik in de verf, expressionistisch, gebaseerd op de
werkelijkheid, het rechter strak in de lak, monochroom of in rechte lijnen
of blokken verdeeld.
Maar Loerakkers atelier was meer dan alleen de plek
waar hij voor zijn ezel stond. Zo verraadde een bureau, een computer
en een archiefkast dat hij er ook kantoor hield: hier bereidde hij zijn
tentoonstellingen voor, bewaarde adreslijsten van bruikleengevers en
kopers en hier archiveerde hij zijn talloze foto’s. Verderop, in de grote
werkruimte, stond zijn zeefdruktafel waar Loerakker experimenteerde op
de meest uiteenlopende soorten papier die hij door de jaren heen had
verzameld en die hij, geordend als hij is, zo uit de lades trok. En natuurlijk
bood dit atelier hem de ruimte voor de opslag van zijn schilderijen, zijn
monotypes en zijn zeefdrukken. Recente doeken, ingepakt, wachtend op
hun transport naar de galerie, maar ook oude werken die het pand niet
mochten verlaten. Zo bewaarde hij steeds de mooiste doeken uit een
serie voor zichzelf, maar er lagen ook tekeningen van zijn vrouw uit de
tijd dat ze elkaar net hadden leren kennen. Aan alles was te zien dat
hier iemand werkte die de zaken graag onder controle heeft. Zorgvuldig
en smaakvol ingericht, bood dit atelier ruimte voor zowel werken als
afstand nemen. Een plek waar Loerakker leefde met zijn eigen werk en
zich omringde met zaken die hem aan het hart gaan. Een boekenkast met
standaardwerken en catalogi van gewaardeerde collega-kunstenaars als
Donald Judd en Claude Monet maar ook een bijzondere verzameling
Afrikaanse beelden, maskers en oude ijzeren voorwerpen zoals speren
en messen die hij bewonderde om hun specifieke vorm. Ze inspireren, zetten aan tot nadenken, tot beter kijken en scherper formuleren. Voor
Loerakker was zijn atelier zijn tweede huis.
Op die vijfde januari ging dit allemaal in vlammen op. De nachtmerrie
van elke kunstenaar. “Mijn hele geschiedenis is verloren gegaan. Het is
alsof je een beetje doodgaat”, zei Loerakker een dag later in de krant.
Hij moest helemaal opnieuw beginnen.
Als vijftienjarige gaf Loerakker thuis te kennen kunstenaar te willen
worden. Vervolgens nam zijn vader hem mee naar het museum. HIj
toonde hem de abstracte schilderijen van Piet Mondriaan en het realisme
van Dick Ket. “Hiertussen gebeurt het in de kunst”, zei zijn
vader. Toen wist Loerakker nog niet dat die twee uitersten later de twee
belangrijke peilers onder zijn oeuvre zouden worden. In eerste instantie
begon hij de schilderkunst te bevragen en maakte hij – geheel conform
de tijdgeest – vrijwel monochrome doeken. Later, in de jaren tachtig, probeerde
Loerakker, onder invloed van de Nieuwe Wilden, of hij deze
expressionistische schilderstijl ook beheerste. Want hij mocht dan wel
werken in een sterk minimalistische traditie, dat betekende niet dat hij
geen oog had voor de andere kant van het schilderkunstige spectrum. Hij
hield tenslotte evenveel van het werk van Claude Monet, William Turner
en Chaïm Soutine als van het werk van Donald Judd en Robert
Ryman. Maar het was lange tijd niet bon ton om dat toe te geven. Hoe
kon hij die twee kanten verenigen? Moest hij dat sowieso willen?
Bovendien lag er bij het schilderen naar de werkelijkheid een groot
gevaar op de loer. Dat zat hem niet in de techniek – Loerakker kan schilderen
wat hij wil. Maar vooral in het gevaar dat zo’n schilderij zomaar
een plaatje zou kunnen worden. Verleidelijk om te schilderen, dat wel.
Zeker als je, zoals Loerakker, oog hebt voor je omgeving, zowel voor de glooiende heuvels en uitgestrekte vlaktes van het platte land als voor de
zichtlijnen en het perspectief in een stad. Maar Loerakker vond het te
gemakkelijk. De noodzaak om het te schilderen ontbrak. “Ik vond het niet
voldoende.” Begin jaren negentig, in de aanloop van een tentoonstelling
in het Van Abbemuseum, vond Loerakker een vorm waarmee hij uit
de voeten kon. In het voortdurende onderzoek dat schilderen voor hem
is, begon hij de tegenstellingen in zijn oeuvre met elkaar te confronteren.
Zo ontstonden de tweeluiken, het linkerdeel ruig en expressief, het
rechterdeel glad en monochroom.
In het linkerdeel mag de verf verf zijn, lekker geschilderd, pasteus
aangebracht op het doek. En steeds vaker zijn die schilderingen in dat
deel gebaseerd op observaties in de natuur: een spiegeling in het water
bijvoorbeeld, of een mooie bloesemtak. Althans, dat kun je eruit afleiden,
want Loerakker is te veel modernist om de kijker te verleiden met illusies.
In het rechterdeel daarentegen is hij uiterst beheerst – bijna afstandelijk.
Soms lijkt het alsof het linkerpaneel op het rechter is gereduceerd tot
pixels in kleur. De twee panelen dagen elkaar uit. Voor de kijker roept
die spanning vragen op. Vormt het rechter deel een abstracte vertaling
van het linker? Of zien we links de afgeleide werkelijkheid en rechts de
ideële, onzichtbare wereld erachter? Alleen al die vragen, het vergelijken,
versterken het kijken. Automatisch ga je op zoek naar de grens, de dunne
scheidslijn tussen figuratie en abstractie waar Loerakker op balanceert.
En hoe langer je kijkt, hoe meer je beseft dat de twee delen niet zonder
elkaar kunnen bestaan. “Het abstracte deel is de tol die de kijker moet
betalen voor de vrijheid links”, zegt Loerakker zelf. “Maar dat geldt ook
voor mezelf, ik heb als schilder een vrij calvinistisch instelling. Pas als
ik het rechter deel heb geschilderd kan ik het linker deel legitimeren.
Die delen lijken dan onverenigbaar maar uiteindelijk veroorzaakt het
contrast juist een binding. Het versterkt de eigenheid van de afzonderlijke
delen waardoor het geheel alleen maar beter wordt.” In zekere zin zijn Loerakkers werken daarmee een beeldende variant van Hegels dialectische
methode waarbij these en antithese naast elkaar worden gezet
om zo op een hoger niveau te geraken: de synthese. En die openbaart
zich in Loerakkers geval in het hoofd van de beschouwer. Die maakt het
beeld af, al zal dat voor Loerakker zelf altijd onzichtbaar blijven.
Vlak voor de fatale brand begon zich in Loerakkers oeuvre een nieuwe
ontwikkeling te manifesteren. Het landschap, dat op de achtergrond altijd
al een belangrijke rol speelde, kwam prominenter als ruimte in beeld.
Dat werd nog versterkt naar aanleiding van een reis langs Engelse landschapstuinen,
de aangelegde maar zo natuurlijk ogende parken met uitgekiende
doorkijkjes en zichtlijnen. Ze zijn, jawel, het ultieme samengaan
van twee uitersten, van natuur en cultuur. “Opeens was daar die behoefte
het landschap te laten zien”, zegt Loerakker. “Ik ging op zoek naar een
manier waarop ik zo’n landschap als autonoom werk zou kunnen verantwoorden.”
Hij had rechts al geëxperimenteerd met een paneel dat
voorzien was van een lange, horizontale sleuf. Het vormde als het ware
een tweede landschap en tegelijkertijd een kijkgat dat je letterlijk zicht
biedt op een ander werkelijkheid. Maar terug uit Engeland durfde hij dat
los te laten. De sleuven werden verticaal, als schietgaten. Hierdoor werd
het contrast met het landschap aangescherpt en de blik van de kijker
werd subtiel doch dwingend gestuurd. Langs de Engelse hagen naar de
open lucht, of beter gezegd, langs de groene lijnen die een repoussoir
vormen voor een lichte partij, want of dat lucht is of misschien wel
water, dat doet er niet meer toe. Het is tenslotte verf geworden.
Maar dat ging allemaal vooraf aan die vernietigende vijfde januari
2008. Op een na gingen al die nieuwe werken verloren. Ook de foto’s
die Loerakker als referentie op zijn reis had gemaakt. Kon hij nu nog op
dezelfde manier verder schilderen? Had het sowieso nog zin om te
schilderen? Was het niet beter om maar gewoon te stoppen? De vragen
buitelde in Loerakkers hoofd over elkaar heen, hij was bevangen door
angst, als de angst om je na een auto-ongeluk weer op de weg te begeven.
Een al lang geplande afspraak om te werken in een grafisch centrum in
het Belgische Kasterlee trok hem over de streep. “Ik was geneigd de
afspraak af te zeggen, maar in een gesprek benadrukten ze dat ik juist
nu moest komen”, zegt Loerakker.
Eenmaal in België werkte hij als een bezetene. Tachtig werken in drie
weken tijd. Alsof Loerakker letterlijk de schade moest inhalen. Het maken
van zeefdrukken en monotypes, soms gecombineerd, is in Loerakkers
oeuvre altijd essentieel geweest. Het is voor hem als schetsen, een vorm
van hardop denken, direct en spontaan. Hier ontstaan ideeën voor later
werk en hier ook toont Loerakker zonder schroom zijn passie: zinderende
luchten die herinneren aan Turner of aan waterspiegelingen zoals bij
Monet. In zijn zeefdruktechniek – waarvan het resultaat niet onder doet
voor een litho – komt die directheid en tactiliteit aan de oppervlakte.
Maar tijdens zijn verblijf in België merkte Loerakker ook dat er iets was
veranderd. Hij werkte sneller dan voorheen. De eens zo doorwerkte,
schilderachtige partijen waren schetsmatiger geworden. Hij kon zich
nog maar korte periodes achter elkaar concentreren en zijn schriftuur
was onrustiger geworden, bijna als de krabbels van Cy Twombly. En
dat bleef. Ook nadat hij zijn voorlopige intrek had genomen in een
nieuw atelier. Het voormalige archief van de gemeente.
“Mijn werk was weg, ik voelde me eenzaam en wilde snel iets om me
heen” zegt Loerakker achteraf. “Ik ging sneller noteren, wilde dingen
terug halen. Als ik die of die toch weer ’ns had, dat soort dingen spookten
door m’n hoofd. Een goede aanzet tot iets accepteerde ik al. Maar ik
schrok er zelf van dat ik er goed tevreden mee was, want de aanzet bleek
vaak de essentie van een gegeven. Wanneer je dat ziet is de noodzaak om
verder te gaan verdwenen. Eigenlijk ben ik een luie schilder geworden.”
Voor het eerst in zijn carriëre laat Loerakker soms hele delen van het linnen
onbeschilderd. Meer dan ooit word je als kijker in het maakproces betrokken.
Je ziet het schilderij groeien. Je ziet compacte delen over gaan in
losse vegen verf en je staat – bijna samen met de kunstenaar – voor verrassingen.
De schetsmatigheid compenseert Loerakker met soberheid aan
de andere kant. Maar het is nog steeds hard werken om de juiste kleurbalans,
de juiste structuur of de juiste transparantie te bereiken. “De rollen
zijn nu omgedraaid. De sobere kanten zijn vaak het meest tijdrovend
geworden.”
Het afgelopen jaar heeft het oeuvre van Loerakker een nieuwe dimensie
gekregen die nieuwe vragen met zich mee brengt. Hoever kun je een
voorstelling reduceren? Hoever kun je een landschap aantasten? Hoeveel
heeft de toeschouwer nodig om een beeld af te maken? Het zijn vragen
die van meet af aan al aan zijn werk waren verbonden maar die nu een
grotere urgentie lijken te hebben. Is dit te wijten aan de brand op zijn
atelier? Terugkijken is pijnlijk. Iets terugschilderen onmogelijk. Maar toegeven
dat de brand zijn sporen nalaat in zijn oeuvre is voor Loerakker
bevestigen dat hij gestuurd wordt door iets buiten zichzelf. En dat valt
niet mee voor een kunstenaar die zijn zaken graag onder controle heeft.
Esther Darley
|
|